Innovatie in familiebedrijven: de kracht van kennis en samenwerking

 Kernpunten

  • Familiebedrijven zijn niet minder innovatief dan niet-familiebedrijven.
  • Investeren in kennis is voor elk bedrijf even belangrijk.
  • Samenwerking met externe partners – vooral regionaal én internationaal – versterkt innovatie in familiebedrijven.
  • De combinatie van interne kennisopbouw en externe samenwerking bepaalt het innovatievermogen van familiebedrijven.

 

Inleiding

In deze blog bespeken we het wetenschappelijke artikel “Innovation in family firms: The role of absorptive capacity and knowledge collaboration” van David Audretsch, Maksim Belitski, Christiana Guenther en Natalia Vershinina, gepubliceerd in Journal of Product Innovation Management in 2025. Het artikel onderzoekt onder welke omstandigheden familiebedrijven hun innovatieprestaties kunnen evenaren of overtreffen ten opzichte van niet-familiebedrijven, en welke rol interne kennisopbouw en samenwerking met externe partners daarin spelen.

Dit onderzoek is relevant omdat het een hardnekkig beeld nuanceert dat familiebedrijven minder innovatief zijn. Het laat zien dat innovatie niet alleen afhangt van investeringen, maar vooral van hoe bedrijven kennis ontwikkelen en benutten. Voor adviseurs en ondernemers biedt dit inzicht in hoe familiebedrijven hun innovatievermogen kunnen versterken door interne kennisopbouw slim te combineren met samenwerking buiten het bedrijf.

Introductie van het artikel

In dit artikel onderzoeken de auteurs hoe familiebedrijven innovatie realiseren. Centraal staan twee belangrijke begrippen: absorptive capacity en knowledge collaboration.

Absorptive capacity betekent het vermogen van een bedrijf om nieuwe kennis te herkennen, te begrijpen en toe te passen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door te investeren in R&D, opleidingen en het aannemen van goed opgeleide medewerkers. Knowledge collaboration verwijst naar samenwerking met externe partijen, zoals klanten, leveranciers, universiteiten of internationale partners, om kennis te delen en te ontwikkelen.

De auteurs willen begrijpen hoe deze twee factoren – interne kennisopbouw en externe samenwerking – bijdragen aan innovatie in familiebedrijven, en hoe dit verschilt van niet-familiebedrijven. Daarbij spelen typische kenmerken van familiebedrijven een rol, zoals een lange termijn focus, risicomijdend en onderdeel zijn van sterke lokale netwerken.

Tegelijkertijd laten eerdere studies een tegenstrijdig beeld zien: familiebedrijven worden vaak gezien als minder innovatief, maar blijken in de praktijk soms juist vergelijkbare of zelfs betere innovatieprestaties te leveren. Dit roept de vraag op welke factoren dit verschil verklaren en onder welke omstandigheden familiebedrijven hun innovatievermogen optimaal benutten.

 

Onderzoeksmethode

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van data van meer dan 9.000 innovatieve bedrijven in het Verenigd Koninkrijk over de periode 2006–2016. De dataset bevat zowel familiebedrijven als niet-familiebedrijven.
De onderzoekers analyseren hoe investeringen in interne kennis en samenwerking met externe partners (zowel regionaal als internationaal) samenhangen met innovatie-uitkomsten, zoals nieuwe producten en diensten. Daarbij maken ze onderscheid tussen incrementele en meer radicale innovaties.

Resulaten

Ten eerste laten de auteurs zien dat familiebedrijven niet minder innovatief zijn dan niet-familiebedrijven. Wanneer innovatie breder wordt gemeten – dus niet alleen via R&D-uitgaven of patenten, maar ook via nieuwe én verbeterde producten en diensten – blijken de verschillen klein of zelfs afwezig. Het gaat hierbij niet alleen om radicale vernieuwingen, maar juist ook om incrementele innovaties, zoals het aanpassen van bestaande producten aan klantbehoeften of het stap voor stap verbeteren van processen en diensten. 

Ten tweede blijkt dat absorptive capacity voor zowel familie als niet-familiebedrijven even belangrijk is. Investeren in kennis, medewerkers en R&D helpt zowel familiebedrijven als niet-familiebedrijven om innovatie te realiseren. Familiebedrijven zijn dus net zo goed in staat om nieuwe kennis te benutten.
Ten derde, het meest onderscheidende resultaat heeft te maken met samenwerking. Familiebedrijven die actief samenwerken met externe partners, vooral regionaal en internationaal, behalen betere innovatie-uitkomsten dan niet-familiebedrijven.

Regionale samenwerking sluit vaak goed aan bij de kracht van familiebedrijven: zij zijn sterk ingebed in hun omgeving en bouwen langdurige relaties op. Het Italiaanse familiebedrijf Luxottica, gevestigd in de regio Belluno, laat zien hoe dit werkt. Door intensieve samenwerking met lokale leveranciers, opleidingsinstituten en vakmensen heeft het bedrijf toegang tot specialistische kennis en vakmanschap. Dit stelt Luxottica in staat om producten continu te verbeteren en innovaties te ontwikkelen die goed aansluiten bij de markt, wat bijdraagt aan een sterke internationale positie.

Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat alleen regionale samenwerking ook beperkingen kan hebben. Wanneer bedrijven te veel binnen hun eigen netwerk blijven, kan vernieuwing afnemen. Internationale samenwerking helpt om deze “lock-in” te doorbreken en nieuwe kennis binnen te halen. Het familiebedrijf Barilla uit Parma illustreert dit goed. Vanuit een sterke regionale basis ging het bedrijf bewust samenwerken met internationale partners, zoals voedingsdeskundigen en onderzoeksinstellingen. Dit leidde tot nieuwe productlijnen, zoals gezondere en duurzamere pasta’s. Door regionale kennis te combineren met internationale inzichten wist Barilla zijn innovatiekracht te vergroten en beter in te spelen op wereldwijde trends.

Juist de combinatie van interne kennisopbouw en samenwerking op zowel regionaal als internationaal niveau blijkt bepalend voor het innovatievermogen van familiebedrijven.

Conclusie

Dit onderzoek laat zien dat innovatie in familiebedrijven niet wezenlijk verschilt van die in niet-familiebedrijven, mits gekeken wordt naar een breder palet aan innovatie-uitkomsten. De resultaten maken duidelijk dat absorptive capacity voor beide typen bedrijven een vergelijkbare rol speelt in het realiseren van innovatie. Het onderscheid zit vooral in de manier waarop familiebedrijven externe kennis benutten. Wanneer zij actief samenwerken met regionale en internationale partners, weten zij deze kennis effectiever te vertalen naar innovatie-output. Daarmee fungeren externe samenwerkingen als een belangrijke voorwaarde waaronder familiebedrijven hun innovatieprestaties kunnen versterken en zich kunnen onderscheiden.

Afronden en adviezen

De inzichten uit dit onderzoek bieden concrete aanknopingspunten voor hoe bedrijven en adviseurs innovatie doelgerichter kunnen organiseren.

Adviezen aan familiebedrijven
  • Blijf niet in het eigen netwerk: juist samenwerking buiten de vertrouwde kring vergroot innovatiekracht.
  • Gebruik de regio als startpunt, maar niet als eindpunt: combineer lokale samenwerking met internationale partners om nieuwe kennis binnen te halen.
  • Maak innovatie bewust relationeel: zet bestaande vertrouwensrelaties actief in om samen te vernieuwen, niet alleen om te behouden.

Adviezen aan niet-familiebedrijven
  • Investeer niet alleen in samenwerking, maar vooral in het vermogen om kennis intern te benutten. Zonder dit blijft samenwerking oppervlakkig.
  • Bouw langdurige samenwerkingen op: innovatie ontstaat niet alleen uit transacties, maar uit relaties waarin kennis zich kan ontwikkelen.

Adviezen aan adviseurs
  • Help bedrijven kiezen in plaats van stapelen: niet méér samenwerking, maar de juiste combinatie van interne kennis en externe partners is bepalend.
  • Maak blinde vlekken zichtbaar: veel familiebedrijven onderschatten hun afhankelijkheid van bestaande netwerken. Doorbreek dit bewust.
  • Ontwerp samenwerking strategisch: denk na over waar regionale en internationale partners echt waarde toevoegen aan innovatie.

Voor extra informatie:


Bronnen

Audretsch, D. B., M.Belitski, C.Guenther, & N.Vershinina. (2025). Innovation in family firms: The role of absorptive capacity and knowledge collaboration. Journal of Product Innovation Management. 1–19. 

Comments